Rotterdam is kwetsbaar
voor de gevolgen van klimaatverandering en werkt aan oplossingen voor zes
thema’s: neerslag, droogte, hitte, grondwater, bodemdaling en overstromingen.
Om extreme neerslag op
te vangen, is het uitgangspunt dat ten minste 50mm hemelwater lokaal wordt
vastgehouden. Droogte wordt aangepakt met maatregelen die de grondwaterstand
stabiliseren en hitte met extra groen en schaduwrijke plekken, zodat er binnen
300 meter van elke woning een koele plek is.
De stad kampt met
bodemdaling, wat de kwetsbaarheid voor wateroverlast vergroot. Daarom hanteert
de gemeente een strikt uitgiftepeil voor nieuwbouw. Voor overstromingen is er
beleid voor bouwen binnen en buiten de dijken. Buitendijks moet er ‘hoog genoeg’
gebouwd worden en binnendijks worden dijken beschermd en wordt geadviseerd
kwetsbare functies te beschermen tegen overstromingsrisico’s.
Om de beperkte ruimte
efficiënt te benutten, stimuleert de stad multifunctionele daken. Deze daken
kunnen onder andere water opvangen (blauwe daken), energie opwekken (gele
daken) of dienen als groene ruimte (groene daken), wat tevens bijdraagt aan de
biodiversiteit.
Door klimaatverandering is er meer kans op extremere neerslaggebeurtenissen. Denk aan piekbuien met een hoge intensiteit in een kort tijdsbestek, maar ook aan lange aaneengesloten perioden met veel neerslag. Het is belangrijk de stedelijke omgeving zo in te richten dat deze de gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme neerslag, zo goed mogelijk kan opvangen. Overlast en schade kan hiermee beperkt of voorkomen worden. Om de gevolgen van extreme neerslag in Rotterdam in beeld te brengen werkt de gemeente met modelberekeningen. In deze modellen wordt gesimuleerd wat de effecten zijn van een bepaalde neerslaggebeurtenis in relatie tot de stad. Dit levert waterdieptekaarten op. In deze quickscan zijn 2 verschillende waterdieptekaarten opgenomen: een kaart met een vaak voorkomende maar weliswaar boven normatieve bui en een kaart met een zeldzame en nog extremere bui. De kaarten geven een indicatie van de waterdieptes die te verwachten zijn bij de bui. Hierbij geldt dat deze indicatie de urgentie aangeven van het belang om waterbestendig in te richten en invulling te geven aan de Rotterdamse hemelwaterverordening.
Grondwater gaat ondergronds zijn natuurlijke gang. Het houdt zich niet aan grenzen tussen openbare en private gebieden. Grondwater is onderdeel van de waterhuishouding in het stedelijk gebied en wordt sterk beïnvloed door de hoeveelheid hemelwater, de aanwezige ondergrondse infrastructuur en (indien aanwezig) door het aanwezig oppervlaktewater. Om alle stedelijke functies nu en in de toekomst in Rotterdam mogelijk te maken is het ongewenst dat het grondwatersysteem verder versnippert en complexer wordt. De grondwaterstand fluctueert in tijd (afhankelijk van seizoensinvloed en weersomstandigheden) en in plaats. Strategische principe voor het verwerken en omgaan met grondwater is het natuurlijk verloop en aanvulling van grondwater gelegenheid geeft. Denk hierbij aan vergroenen, niet verharden of open verharding zodat het regenwater de kans krijgt om in de bodem te infiltreren en het grondwater aan te vullen. Waar het niet kan door gemiddeld kleine ontwateringsdiepte is het grondwaterbestendig bouwen (berging creëren voor water of waterdicht te bouw) en in te richten belangrijker wordt.
Rotterdam is voor een aanzienlijk deel gebouwd op slappe bodem. Bodemdaling, met name zetting heeft veel effecten op de inrichting en bouwen van de stad. Bodemdaling kan gevolgen hebben voor toekomstige ontwikkelingen. Om de nadelige effecten van bodemdaling tegen te gaan wordt het uitgiftepeil aangehouden. Dit uitgiftepeil is een theoretische maaiveldhoogte waarmee gewaarborgd kan worden dat ruimtelijke ontwikkelingen (nu en in de toekomst) geen ongewenste gevolgen ondervinden van oppervlaktewater, hemelwater, grondwater en rioolwater.
Het uitgiftepeil bij nieuwbouw en herstructureringsgebieden wordt bepaald met de vuistregel “waterpeil in de singel (peil volgens peilbesluit) + 1,20 m”. Het uitgiftepeil dat uit deze berekening volgt, wordt het wenspeil genoemd. De 1,20 meter is dan de drooglegging.
Voor de bestaande bebouwde omgeving is veelal een drooglegging van 1,00 meter gehanteerd. Dit betekent dat op veel plaatsen in de stad de tegenwoordig gewenste drooglegging van 1,20 meter niet wordt gehaald. Het is ook praktisch lastig om inbreidingslocaties een hoger uitgiftepeil te geven dan aangrenzende bestaande bebouwde omgeving. Dit vergt een maatwerkaanpak voor het bepalen van uitgiftepeilen voor herstructureringen en vervangende nieuwbouw.
Daarnaast is het belangrijk om bij bouwen rekening te houden met bodemdaling zodat de gevolgen van zetting worden beperkt. De zetting zorgt ervoor dat de ontwateringsdiepte in de loop der tijd kleiner wordt. De hoogteverschillen door zettingen zorgen voor schade aan infrastructuren en gebouwen. Het flexibel inrichten van de gebouwen, infrastructuren en buitenruimte kunnen de gevolgen van zettingen beperken.
Door klimaatverandering neemt de maximale temperatuur en de tijdsduur van warme periodes toe waardoor het in veel woningen daardoor in de zomer erg warm wordt. Deze hitte kan tot problemen leiden voor de gezondheid, het comfort en de buitenruimte. Om tijdelijke verkoeling te vinden is het daarom belangrijk dat er in de nabijheid van alle woningen koele plekken te vinden zijn. De norm van 300m is daarbij ingesteld, zodat ook bijvoorbeeld kwetsbare ouderen niet te ver hoeven te lopen. Om hittestress tegen te gaan kan men denken aan het vergroenen van gebouwen en de buitenruimte. Maar ook het creëren van schaduw in de buitenruimte. Aanbevolen wordt om minimaal 30% schaduw op buurtniveau te realiseren bij de hoogste zonnestand.
Het grootste deel van Rotterdam is beschermd door dijken. Bij een dijkdoorbraak kunnen laaggelegen gebieden tot meer dan 6 meter onder water komen te staan. Echter door de sterke dijken die de stad beschermen is de kans dat dit gebeurt heel erg klein. Om de veiligheid van deze dijken ook in de toekomst te kunnen borgen zijn beperkingen ingesteld. Hierdoor is het bouwen in, op of rondom een dijk niet zomaar mogelijk. Zo moet er bijvoorbeeld ruimte vrij gehouden worden aan de binnen- en buitenzijde van de dijk voor toekomstige versterking. De Waterschappen beheren de dijken en er is altijd een vergunning van het Waterschap nodig als de schop in de grond gaat in of rondom een dijk. Betrek hen dan ook zo vroeg mogelijk in het ruimtelijk proces voor een goede samenwerking.
De gebieden tussen de dijken en de rivier worden niet beschermd door een dijk bij hoog water. Op de lage kades, zoals op Noordereiland, staat meerdere jaren per jaar water. Bij de ruimtelijke inrichting van deze buitendijkse houden we rekening met het risico op overstromingen. Er is hier gemeentelijk beleid voor wat aangeeft welke minimale uitgiftepeilen er buitendijks gehanteerd worden om het risico te beperken.
Het beleid gaat uit van een onderscheid in een basis en een basis+ uitgiftepeil (maaiveldhoogte t.o.v. NAP) in buitendijks gebied. Het basispeil is bedoeld voor reguliere, niet-kwetsbare functies en is lager dan het basis+ peil. Het basis+ peil geldt voor kwetsbare functies (zoals nutsvoorzieningen, risicovolle bedrijven) waarbij overstroming effecten kan sorteren die de omgeving c.q. maatschappij kunnen raken en niet alleen de functie op zichzelf. Door de aanwezigheid van stormvloedkeringen in het watersysteem (Maeslant- en Hartelkering) is het tevens onderscheid tussen peilen voor (zeekant) en achter de stormvloedkeringen.
In tabelvorm zien de uitgiftepeilen buitendijks er als volgt uit:
|
Uitgiftepeil |
Buiten de stormvloedkering |
Binnen de stormvloedkering |
|
Basisniveau |
NAP + 5,6 |
NAP + 3,8 |
|
Basis+ niveau |
NAP + 6,1 |
NAP + 4.1 |
Het uitgiftepeil is in beginsel verplicht voor alle nieuwe ontwikkelingen in het buitendijks gebied. Bijstellen of afwijken van de uitgiftepeilen is echter altijd (onderbouwd) mogelijk. Indien wordt afgeweken van het uitgiftepeil voor het maaiveld blijft de verplichting overeind staan om onroerende zaken ‘waterdicht’ te maken tot het basis of basis+ peil. Het is expliciet een minimaal uitgiftepeil, hoger aanleggen mag en wordt aangeraden vanwege zeespiegelstijging en bodemdaling.
Het binnendijkse gebied van Rotterdam wordt beschermd door stevige dijken. Een dijkdoorbraak is een uitzonderlijke situatie, maar heeft een enorme impact op het functioneren van de stad. Hierdoor is het advies om met nieuwe ontwikkelingen ervoor te zorgen dat de gevolgen van een overstroming in Rotterdam niet verder toenemen. Dit geldt met name voor vitale en kwetsbare functies zoals een ziekenhuis, ICT-netwerk of gemaal zodat reddings- en herstelwerk beter mogelijk gemaakt wordt.
Het gebruik van de ruimte op het dak biedt steeds meer mogelijkheden. Door het dak multifunctioneel in te richten wordt het niet langer gezien als loze ruimte maar kan het bijdragen aan klimaatadaptatie, energieopwekking en circulariteit. Vooralsnog worden er veelal groene daken en zonnepanelen toegepast op daken. Voordeel van groene daken is dat o.a. zorgt voor een langere levensduur van de dakbedekking maar ook voor een aantrekkelijk buitenruimte. Bijkomend voordeel is dat het gebouw eveneens koeler blijft tijdens extreme hitte.
Zonnepanelen dragen vervolgens bij aan de energietransitie en kunnen zorgen voor een verlaging van energiekosten. Er zijn ook nog andere mogelijkheden om verschillende functies te koppelen.
De mogelijke functies voor daken:
– Groene daken (plantjes, groen),
– Blauwe daken (wateropvang),
– Gele daken (energie uit zonnepanelen of wind),
– Rode daken (sociale functies, zoals een speelplaats of restaurant),
– Oranje daken (dakbruggen, mobiliteit),
– Paarse daken (optoppen of ‘tiny houses’),
– Grijze daken (zendmasten, glazenwasinstallaties e.d.).
Rotterdam heeft een programma voor het stimuleren van multifunctionele daken. Daarbij zijn we ook actief in (inter)nationale netwerken, zoals het Nationaal DakenPlan. Er is een landelijke website waar je inspiratie kan opdoen.